• Vóór je van richting verandert moet je vertragen.
• Dan ga je na hoe het zit met het
verkeer voor je, achter je en naast je: kijk in je achteruitkijkspiegels en ook even over je schouder of er geen
bestuurder naast je is en of niemand je wil
inhalen of daarmee begonnen is.
• Uiterst belangrijk is, dat je tijdig de richtingaanwijzers aanzet. Tijdig wil zeggen: niet te laat, want daarmee kan je de andere weggebruikers verrassen, zodat ze bruusk moeten reageren; maar ook niet te vroeg, want daarmee kan je de anderen dan weer op een verkeerd been zetten;. als er twee zijwegen kort na elkaar komen bv., moet je de richtingaanwijzer niet aanzetten vóór de eerste weg.
• Gebruik ook tijdig en liever zelfs een paar keer je remlichten om de achterliggers te verwittigen van je manoeuvre.