Inhoudstafel Theorie Oefeningen Trefwoorden
Help |  Mijn gegevens  |  Volledig scherm  |    Log in  
10. LICHTEN EN REFLECTOREN
10.2 Rijden met de lichten aan
1 / 1   |>>          Pagina oefenen  |  Hoofdstuk oefenen

10.2 Rijden met de lichten aan

116-117

1.         Je moet de lichten van je auto aansteken - d.w.z. de dimlichten of de grootlichten -
            tussen het vallen van de avond en het aanbreken van de dag en telkens als de       
            zichtbaarheid ten gevolge van gelijk welke omstandigheid (mist, regen, hagel,       
            rook,...) minder dan 200 meter bedraagt.
            Als je niet zeker bent over de zichtbaarheid – bij schemeravond, bij grijs weer – aarzel    
            dan  niet om je lichten aan te steken; het is zelfs in ‘normale omstandigheden toegelaten       
            om met de lichten te rijden.
2.         Landbouwvoertuigen moeten in de hierboven beschreven omstandigheden één of twee    
            oranjegele zwaai- of knipperlichten aansteken. Op een openbare weg met meer dan twee
            rijstroken moeten ze dat altijd, in alle omstandigheden.  
3.         Als de verlichting je toelaat om continu ± 100 m ver goed te zien, moet je rijden met de       
            dimlichten (kruislichten); de grootlichten en de standlichten zijn dan verboden. 
4.         Als er geen regelmatige openbare verlichting is en je niet ± 100 meter ver kan zien, rijd dan
            met de dimlichten (kruislichten) of de grootlichten.

1 / 1   |>>          Pagina oefenen  |  Hoofdstuk oefenen
 
Feedback
 
Naam
e-mailadres
Beschrijving
Welke stappen leidden tot het probleem