1. Je moet de lichten van je auto aansteken - d.w.z. de dimlichten of de grootlichten -
tussen het vallen van de avond en het aanbreken van de dag en telkens als de
zichtbaarheid ten gevolge van gelijk welke omstandigheid (mist, regen, hagel,
rook,...) minder dan 200 meter bedraagt.
Als je niet zeker bent over de zichtbaarheid – bij schemeravond, bij grijs weer – aarzel
dan niet om je lichten aan te steken; het is zelfs in ‘normale omstandigheden toegelaten
om met de lichten te rijden.
2. Landbouwvoertuigen moeten in de hierboven beschreven omstandigheden één of twee
oranjegele zwaai- of knipperlichten aansteken. Op een openbare weg met meer dan twee
rijstroken moeten ze dat altijd, in alle omstandigheden.
3. Als de verlichting je toelaat om continu ± 100 m ver goed te zien, moet je rijden met de
dimlichten (kruislichten); de grootlichten en de standlichten zijn dan verboden.
4. Als er geen regelmatige openbare verlichting is en je niet ± 100 meter ver kan zien, rijd dan
met de dimlichten (kruislichten) of de grootlichten.